PA inmeten, stap voor stap: wat echt telt
Meetmicrofoon neerzetten, roze ruis aan, aan de equalizer trekken tot de curve recht is: zo gaat inmeten meestal. Toch is de equalizer de kleinste hendel, en hij komt als laatste. Wat ervoor komt, beslist over verschillen van 15 dB en meer — de equalizer alleen over wat daarna nog over is.
Waarom de equalizer als laatste komt
Een meting laat de som van alles zien: de luidspreker zelf, waar hij staat en waar hij naartoe wijst, hoe sub en tops samenspelen en wat de ruimte ervan maakt. De equalizer verandert daar maar een deel van — het deel dat op elke plek hetzelfde is. Een filter werkt op de eerste rij precies zo als op de laatste.
De grote fouten zijn juist die van plek tot plek verschillen: voorin te hard, achterin te zacht, in het midden te veel laag, aan de zijkant een gat. Daaraan verandert een filter nul decibel. Floyd Toole zegt het in één zin: een equalizer kan het afstraalgedrag van een luidspreker niet veranderen. En bij Bob McCarthy, die het inmeten van grote systemen decennialang heeft bepaald, komt het richten altijd vóór het equaliseren — nooit andersom.
De vijf stappen, gesorteerd op effect
Naast elke stap staat om hoeveel decibel het gaat — uitgerekend, niet geschat. Het getal daalt van boven naar beneden. Helemaal onderaan staat de stap waar de meesten mee beginnen.
Tops plaatsen en richten
tot 18 dB voor tegen achterDirect geluid verliest 6 dB elke keer dat de afstand verdubbelt. Eerste rij op 2 m, laatste op 16 m: drie verdubbelingen, 18 dB verschil — als de kast op oorhoogte staat. Hang hem 2,8 m boven de oren en er blijft 13,5 dB over, omdat de eerste rij dan verder weg zit. Kantel hem naar de achterste rijen, en de eerste rij zit naast de hoofdas en krijgt nog minder. En de afstraalhoek uit het datasheet is de hoek waarbij het aan de rand al 6 dB zachter is dan op de as. Wie daar zit, hoort 6 dB minder — zonder dat er iets fout is, dat is de definitie.
Subwoofers plaatsen
tot 15 dB van plek tot plekTwee subs links en rechts doven elkaar uit waar hun wegverschil een halve golflengte bereikt — bij 60 Hz is dat 2,86 m. Zelfs als een van de twee daar 3 dB zachter aankomt, ligt de dip 10,7 dB onder één losse sub en 15,3 dB onder wat dezelfde twee in fase zouden geven. Zet ze samen in het midden, en het strepenpatroon is op elke plek weg.
Sub en tops: polariteit en looptijd
+6 dB of een gatIn het overnamegebied spelen ze allebei dezelfde toon. Even hard en in fase geven ze 6 dB meer dan één alleen. Bij 60° verschuiving is dat nog 4,8 dB, bij 90° nog 3 dB, bij 120° niets meer — en bij 180° doven ze elkaar uit. 180° is bij 100 Hz 5 ms, oftewel 1,72 m weg. Eerst de polariteit controleren, dan de delay instellen op de gemeten aankomsttijd, niet op de rolmaat.
Basaandeel en doelcurve vastleggen
een beslissing over tot 12 dBDit is geen correctie maar een beslissing, en die hoort vóór de equalizer — anders werkt de equalizer naar een doel dat nog niet vaststaat. Hoe ver die reikt, laat een compromis zien dat twee FOH-technici in 2019 beschreven in het vakblad Live Sound International: recht van 200 Hz tot 20 kHz, en daaronder 12 dB meer sub rond 60 Hz. Voor een toespraak zou dat veel te veel zijn. Leg dus vast waarvoor de installatie vandaag speelt, en stel het subniveau daarop af.
Equalizer
0 dB tussen de plekkenPas nu. Hij compenseert wat op elke plek op dezelfde manier fout is: het eigen karakter van de kast en losse ruimteresonanties in het laag. Aan het verschil tussen voor en achter, midden en zijkant verandert hij niets. McCarthy's vuistregel voor één systeem: meestal drie of vier banden, nooit meer dan zes, zelden smaller dan een halve octaaf. Wie er twaalf nodig heeft, heeft een van de vier stappen daarvoor overgeslagen.
Zo meet je, zodat de meting klopt
Microfoon: een meetmicrofoon met bolkarakteristiek en kalibratiebestand, op een statief in het publieksvlak — niet vlak voor de kast, want daar zijn laag- en hoogspreker nog niet opgeteld tot de klank die het publiek hoort. Hoogte: die van de oren tijdens de show, meestal staande hoofdhoogte, lager bij een zittend publiek. De capsule wijst naar de luidsprekers.
Meerdere plekken: nooit equaliseren op één enkele positie. Boven 343 Hz is de golflengte korter dan een meter, bij 1 kHz is het 34 cm. Een handbreedte verder meet je daar een andere fijnstructuur. Meet dus op meerdere plekken in het publiek en equaliseer tegen het gemiddelde. REW raadt daarvoor het gemiddelde in decibel aan, omdat dat pieken en dips even zwaar laat wegen.
Venster en afvlakking: een frequentieafhankelijk venster van 15 periodes — zo rekent REW — is bij 10 kHz 1,5 ms lang. In die tijd legt het geluid 51 cm af; in het hoog zie je dus bijna alleen de luidspreker. Bij 100 Hz is het 150 ms en 51 m: daar zie je de hele ruimte, en zo hoort het ook. Voor curves die geëqualiseerd worden, raadt REW een variabele afvlakking aan, van 1/48 octaaf onder 100 Hz tot 1/3 octaaf boven 10 kHz.
Waar de ruimte ophoudt losse resonanties te hebben, ligt de Schroeder-frequentie: 2000 × √(nagalmtijd ÷ ruimtevolume). Een parochiezaal van 1200 m³ met 1,2 s nagalm komt uit op 63 Hz. Daaronder mag de equalizer smal werken, tegen een ruimtelijk gemiddelde meting. Daarboven alleen breed — Toole noemt smalle correcties daar een aanzienlijk risico om een goede luidspreker slechter te maken.
Waaraan je merkt dat de equalizer het verkeerde doet
De meest gemaakte fout is een dip ophalen. Komt die uit een uitdoving — twee wegen die elkaar wegnemen —, dan haalt het filter ze allebei op en blijft de dip. Pat Brown beschrijft het geval aan een dip tussen twee drivers: op de as is hij daarna weg, ernaast, waar de meesten zitten, ontstaat een piek.
De test duurt een minuut: microfoon 30 cm verplaatsen en opnieuw meten. Schuift de dip op of verdwijnt hij, dan was het interferentie — daartegen helpen plaatsing en delay, geen filter. Blijft hij op elke plek, dan is hij echt. Bij pieken is het andersom: afzwakken kost geen headroom. Vandaar de oude regel: smal afzwakken, breed en weinig ophalen.
Wat AURIX op dit punt doet
AURIX meet sub en tops apart met een sinussweep, bepaalt daaruit aankomsttijden, delay en polariteit en stelt de filters voor tegen de doelcurve die jij kiest. Het zwakt af tot 12 dB, haalt de sub hooguit 3 dB op en de tops hooguit 5 dB — en nooit onder de natuurlijke afval van een kast of in een uitdoving. Vindt het er een, dan noemt het het wegverschil in meters in plaats van hem op te halen. Daarbij staan de ruimtemodi, waar een smal filter wel op zijn plaats is.
Boven de knop Toepassen staat hoe goed de meting is, van 0 tot 100 %, met redenen. Een geblokkeerde meting weigert AURIX bij de eerste druk. Wat AURIX je niet uit handen neemt, zijn stap 1 en 2: plaatsen en richten blijft handwerk. En AURIX meet op één positie — controleer het resultaat daarom met de RTA op een tweede.
De eerlijke slotzin
Inmeten begint bij plaatsen. De 18 dB tussen voor en achter, de 15 dB in het strepenpatroon van de subs en de 6 dB bij de overname worden beslist voordat er één filter staat. De equalizer ruimt daarna op wat overal op dezelfde manier fout is — en daarvoor zijn drie of vier banden meestal genoeg.
AURIX 7 dagen proberenZonder creditcard. Meting, tijduitlijning en meetkwaliteit draaien ook in de proefperiode volledig.